MIJN VERHALEN

Een dagje uit met mijn vader

Op een mooie zonnige zondag in het voorjaar van 1954, ik was veertien jaar, mocht ik met mijn vader mee naar een wedstrijd van zijn voetbalclub "De Postduiven". Pappa was een trouwe supporter van deze Loosduinse club en sloeg dan ook geen wedstrijd over. Die zondag speelde zijn club uit tegen "Lugdunum" in Leiden. We gingen er samen op de fiets naar toe.

Toevallig had ik een paar dagen daarvoor een nieuwe jas gekregen. Het was een regenjas die aan beide kanten gedragen kon worden. Zachtgroen aan de ene kant en als je hem omdraaide was hij kakikleurig. De mouwen werden een slag omgeslagen zodat je twee kleuren zag. Ik was apetrots op mijn nieuwe jas.

Het was best een eind trappen van Loosduinen naar Leiden, dus al vroeg werden de fietsen klaar gezet en mijn vader pompte de banden nog een keer op. Broodjes en drinken voor onderweg werden ingepakt, waarna we konden vertrekken. Ik wilde mijn jas aantrekken, waarop mijn moeder zei: "kind, het is veel te mooi weer om een jas aan te doen, doe je jas maar in de fietstas". Ik protesteerde en wilde toch mijn jas aan. Mijn vader was het met mijn moeder eens en zei: "Rien kom op je jas gaat in de tas, met dit mooie weer ga je toch zeker geen jas aantrekken, de mijne zit ook al in de fietstas, kom op niet zeuren".
Ik had behoorlijk de pest in, want ik wilde mijn nieuwe jas zo graag aan. "Maar ja" dacht ik "dan maar niet".

Zo gingen mijn vader en ik samen op weg naar Leiden. We fietsten de Laan van Meerdervoort helemaal af en daarna richting Wassenaar. Het was druk onderweg, veel mensen waren op weg naar de bloembollenvelden en "De Keukenhof". Het was een mooie tocht, we kwamen langs schitterende villa's en verder passeerden we Dierenpark Wassenaar met zijn stenen leeuwen bij de ingang. Ik had het best naar mijn zin, zo samen met mijn vader.

We waren al geruime tijd onderweg, toen ik op een gegeven ogenblik achterom keek en rookwolken achter mijn vader zijn rug uit de fietstas zag komen. En ja hoor, de tas met mijn nieuwe jas erin stond in brand. Mijn vader stapte snel af en probeerde zenuwachtig het brandje in de tas te doven, wat hem vrij snel lukte. Er was blijkbaar een sigarettenpuik in terecht gekomen. Toen pappa even later mijn jas te voorschijn haalde zaten er drie grote brandgaten in. Ik huilde tranen met tuiten " had ik nou mijn jas maar aan gedaan" griende ik.

Mijn vader riep "hou je mond jij" "ja maar, moet je nou zien wat er met mijn jas gebeurd is" snikte ik. Van de weeromstuit kreeg ik nog een draai om mijn oren van mijn vader, waarop ik weer in huilen uitbastte.
Nadat mijn vader de jas weer terug had gestopt en ik wat bedaard en door hem getroost was, vervolgden we onze weg naar Leiden. Na een tijdje werd er gepauzeerd om onze boterhammen in het gras langs de weg op te eten, na zo'n fietstocht ging dat er wel in. En mijn vader nam uitgebreid de tijd om een shaggie te roken.

In Leiden bij "Lugdunum" aangekomen kreeg ik geld om een ijsje te kopen om bij te komen van de schrik. Daarna begon de voetbalwedstrijd, of "De Postduiven" gewonnen hebben weet ik echt niet meer. Het zal wel, want mijn vader was in een goed humeur, als zijn ploeg verloren had, had hij altijd de pest in.

Na de wedstrijd stapten we weer welgemoed op onze fietsen om aan de terugtocht naar Den Haag te beginnen. Na een kwartiertje zei mijn vader "Het is eigenlijk best wel fris, zo zonder jas Rina". "Nee, ik heb het echt niet koud hoor pa" antwoordde ik. "Nou je kunt beter mijn jas aantrekken, ik heb toch mijn colbert aan. Maar jij zo in je bloesje, anders vat je nog kou". "Oh, nee hè, toch niet de jas van mijn vader aan hè" dacht ik en weer zei ik tegen hem dat ik het echt niet koud had. Maar al ging ik op mijn kop staan, ik moest en zou zijn jas aan doen. Dus ik zijn grote herenregenjas aan, hij kwam haast tot aan mijn voeten, opgerolde mouwen. En zo fietsten we terug. Ik voelde me doodongelukkig en dacht "als ik eerst maar thuis ben en ik hoop dat ik maar niemand uit mijn klas tegen kom". "Kijk, Rina, wat leuk die auto's hebben bloemenslingers aan de bumper hangen" riep mijn vader, terwijl hij achterom naar mij keek. Maar ik had nergens meer oog voor, ik wilde naar huis!

Gelukkig.....eindelijk reden we Den Haag binnen. Maar toen zei mijn vader tot mijn grote schrik "we gaan nog even bij opoe langs, kunnen we daar even uitrusten en wat drinken". Nou ik had het niet meer, dacht ik eindelijk snel thuis te zijn, ging dat mooi niet door. Bij opoe aangekomen werden we onthaald op een kopje thee met een sprits. Daarna gingen we dan eindelijk naar huis.

Het was al dik na etenstijd toen we thuis kwamen. Het eten werd voor ons warm gehouden op het petroleumstelletje in de keuken, ik rook het al toen we binnen kwamen. In de gang vroeg mijn moeder: "En, hoe hebben jullie het gehad?". Nou ma dat zal ik je vertellen: "Op de Wassenaarseweg stond de fietstas in de fik enne............."

Van de goede stukken van mijn gehavende jas heeft mijn moeder later een pakje gemaakt voor mijn broertje. Hij heeft daar meer plezier van gehad dan ik van mijn jas.


Rina Hartman
juli 2004

terug naar 'Mijn verhalen'
terug naar boven
webdesign    jacques verbove 2012