MIJN VERHALEN

Kinderjaren in de oorlog

In het voorjaar van 1940 logeerde mijn moeder met mij, ik was nog een baby, in Druten, mijn vader was daar gemobiliseerd. We logeerden bij een weduwe die een kruidenierszaak had. Toen, het was begin mei, brak de oorlog uit en terwijl de gevechten aan de gang waren moesten we geëvacueerd worden.
Mijn moeder pakte het hoognodige bij elkaar in een tas, de mooie kinderwagen moest ze jammer genoeg achter laten. Vanaf de steiger aan de Maas gingen we op een rijnaak richting Zeeland.

Het was warm en rokerig in het ruim, waar de vele mensen verbleven. De boeren hadden ruimschoots eten en drinken bij zich en zaten dikke sigaren te roken. Mijn moeder had niet genoeg te drinken en na verloop van tijd stapte ze op één van de boeren af en zei: "U moet me drinken geven en iets te eten, want ik heb mijn kindje aan de borst". Verbouwereerd deed de man wat ze zei. In Zeeland aangekomen moesten de rijnaken weer terug van waar ze gekomen waren, omdat Zeeland onder water stond.

Toen is mamma in de buurt van Rotterdam van boord gegaan en liftend is ze met mij op de arm naar Den Haag gereisd, naar de Noordstraat waar we toen woonden. Maar eerst ging ze naar haar ouders.
Opoe huilde toen ze ons weer zag, maar opa zei: "Hendrien, ik heb toch steeds gezegd, je zult zien die meid komt wel op haar pootjes terecht".

Ondertussen vocht mijn vader bij de Grebbeberg, daar heeft hij veel kameraden zien sneuvelen. Bij de capitulatie van Nederland is hij krijgsgevangene gemaakt. Pappa heeft toen negen maanden in Duitsland gevangen gezeten. Toen hij vrij kwam moest hij, verzwakt als hij was, vanaf de oostgrens van Nederland te voet en liftend naar huis zien te komen.

Het grootste gedeelte van de oorlog woonden we in een bovenhuis in de Paulus Potterstraat in Loosduinen. Van de indeling van dit huis kan ik me niet zo veel herinneren, behalve de kamer en de keuken.
In de huiskamer zaten ramen met vakindeling, net zoals de openslaande deuren in de benedenhuizen. Door het oorlogsgeweld, er werden vlak bij ons huis in Ockenburgh VI's afgeschoten, braken de ramen nog wel eens. Dan werden die gerepareerd met stukken oud groen velours gordijn.
Als ik nu aan die voorkamer denk zie ik ramen met groene vakken erin. Als er na verloop van tijd weer glas in werd gezet en je keek naar buiten vervormde het straatbeeld. Het glas kwam dan ook uit de tuinderij, waar mijn vader werkte, weet ik nu.

Meestal bivakkeerden we in de keuken, deze kleine ruimte was sneller warm te stoken, hiervoor hadden we een zwarte potkachel. Verder stond er een liberty-stoel en een kleine keukentafel met twee stoelen. Voordat het bedtijd was, ging mamma met mij liedjes zingen, dat was heel gezellig!
We hadden clandestien een klein lichtje branden en op de voet van het elektrisch strijkijzer werd melk warm gemaakt. Als er een enkele keer 's avonds aangebeld werd stak mijn moeder snel een kaars aan en deed het lichtje uit.

Beneden ons woonde Marie Spek, een vrouw alleen. Mijn moeder zei altijd dat ze omgang had met een Rijksduitser, ik wist toen niet zo goed wat ze daarmee bedoelde. Ik moet een jaar of drie, vier geweest zijn.
Als er luchtalarm was liepen we snel de trap af naar beneden. Dan gingen we met z'n allen bij Marie Spek schuilen in de WC, die was onder de trap. Vreselijk vond ik dat, want die WC stonk zo erg, bij ons stonk de WC nooit!! Dan gilde ik: "Ik wil er niet in".
Mijn moeder stelde me gerust door te zeggen dat het zo voorbij zou zijn. Nog zie ik mezelf als klein kind met mijn hoofdje boven die vieze stink-WC staan met die vieze gele rand erin. En in mijn geheugen stonden we daar een eeuwigheid.

Ik herinner me ook nog dat het 's avonds altijd heel erg donker was, geen lichtje te zien als je naar buiten keek. Dit kwam doordat we 's avonds zwart verduisteringspapier voor de ramen moesten doen van de Duitsers.

Ons gezin heeft in de oorlog niet echt honger gehad. Mijn vader kon nog wel aan eten komen, zoals schorseneren bij voorbeeld. Die kan ik nu niet meer zien! En pappa kweekte tabak, de tabaksbladeren hingen bij ons in huis te drogen tot ze bruin en droog genoeg waren. Dan ruilde mijn vader dat voor eten. Verder maakten mijn ouders zelf bietenstroop.
Soms aten we twee keer per dag warm eten, omdat er moeilijk aan brood te komen was.

Op een keer, het was nieuwjaarsdag, ging mijn vader met mij achter op de fiets bij zijn baas nieuwjaar wensen, dan kreeg hij zijn nieuwjaarsfooi!
Die ochtend had ik als ontbijt bruine bonen op. Toen heb ik bij pappa zijn baas steeds poeppies zitten laten en kreeg ik op mijn donder toen we naar huis fietsten. Thuis gekomen vertelde mijn vader wat er gebeurd was, maar mamma nam het voor me op. Ze zei: "Jaap je moest je dood schamen, mopperen op dat kind. Het is toch niet normaal op je nuchtere maag bruine bonen te moeten eten".

Mijn vader was een gedeelte van de oorlog, dat moet meer aan het eind geweest zijn, ondergedoken in de Wennetjespolder bij Duivesteijn, dat was de tuinder waar hij werkte.
Ome Daan, mijn vaders broer die met tante Nel en zijn gezin bij ons aan de overkant woonde, zat ondergedoken in een luik onder zijn bed in de slaapkamer.

Mijn moeder ging pappa één keer per dag warm eten brengen in een pannetje, dat zij in een blauw geblokte keukendoek bij zich droeg. het eten was toen al schaars. Toen mijn moeder hoogzwanger was van Wiesje, mijn jongste zusje, dat was in maart 1945, is ze door de moeder van mijn vaders baas naar huis gestuurd met het eten.
De oude mevrouw Duivesteijn zei: "Wies, jij gaat naar huis met je dikke buik, mijn zoon zorgt maar voor het eten". Op de terugweg naar huis kwam ze een bekende tegen, die had honger en vroeg waar ze met het eten naar toe ging. Mamma heeft toen dat pannetje eten aan haar gegeven.

Eind april 1945, Wiesje was al geboren, kwamen vliegtuigen heel laag over ons huis, waarvan er één brandde. De mensen gingen naar buiten om te kijken. Vanaf het balkon waar wij stonden konden we aan de overkant mannen en vrouwen op de daken zien staan.

Verder herinner ik me nog vaag dat mijn zusje Annie en ik ziek waren en in onze roze ledikantjes in de slaapkamer stonden. Later hoorde ik van mijn moeder dat we in de oorlog difterie hebben gehad, we zijn toen erg ziek geweest.

Vlak na de oorlog is er een foto gemaakt van mij samen met Annie en Wiesje. Annie en ik hebben grote strikken in ons haar en een bolle toet.
Deze foto is naar familie in Canada gestuurd. Het commentaar was: "Zijn dat nou die kindertjes die het zo slecht hebben gehad!".


Rina Hartman
januari 2001

terug naar 'Mijn verhalen'
terug naar boven
webdesign    jacques verbove 2012