![]() Morgenrood water in de sloot |
![]() Achter de muziek aanlopen |
![]() Aan het eind van de regenboog vind je een pot goud |
![]() Iemand aan de schandpaal nagelen |
![]() Een ballonnetje doorprikken |
![]() Dat is koren op zijn molen |
![]() Van de hoed en de rand weten |
![]() Hij heeft goed geboerd |
![]() Commandeer je hondje en blaf zelf |
![]() Daarmee is de kous af |
![]() Er gaat hem geen zee te hoog |
![]() In de kinderschoenen staan |
![]() Op een oude fiets moet je het leren |
![]() Hij houdt zijn huisje bij zijn schuurtje |
![]() In iemands vaarwater zitten |
![]() De vogel is gevlogen |
![]() Dat ligt voor de hand |
![]() Ergens je neus voor ophalen |
![]() Daar zit muziek in |
![]() Een boekje over iemand open doen |
![]() Een scheve schaats rijden |
![]() ---- |
![]() De vis wordt duur betaald |
![]() Dat loopt als een trein |
![]() De kerk in het midden laten |
![]() Zich een kriek lachen |
![]() Dat staat als een huis |