MIJN VERHALEN

Straatbeeld uit mijn kindertijd

Gedurende mijn kindertijd woonde ik in Loosduinen. Ik ben de oudste van een gezin met vijf kinderen. Wij woonden in de Paulus Potterstraat, dat was vlakbij park Ockenburgh. Er waren in onze straat twee woonlagen. Parterrewoningen en daarboven nog één woonlaag. Wij woonden beneden, de benedenhuizen hadden een klein voortuintje, daar kwam je in via de openslaande deuren van de voorkamer. Achter ons huis was een poort met aan twee zijden tuintjes. Wij hadden een kippenren in de tuin staan en een perenboom.

We hadden een gezellig gezin. Het leven speelde zich af in de huiskamer.
Met z'n allen rond de tafel deden we spelletjes. Of we maakten ons huiswerk, terwijl mijn moeder met haar huishoudelijke klusjes bezig was. Mijn vader was bijna dag en nacht aan het werk, dus die zagen we door de weeks haast niet.

Na schooltijd speelden we buiten met andere kinderen uit de straat. We woonden in een kinderrijke buurt, dus speelkameraadjes genoeg.
We maakten tenten van oude gordijnen en we speelden kastiebal, de putdeksels waren dan de honken. In de knikkertijd werd er geknikkerd.
Of we gingen zweeptollen, ook speelden we haasje over met een hele sliert kinderen. Of het spelletje bok, bok, bok, hoeveel horens heb ik op m'n kop...

Touwtje springen met een grote groep kinderen uit de straat deden we ook graag. Twee kinderen draaiden dan het lange touw rond en ieder op zijn beurt moest inspringen, onderwijl zongen we:
     Anna stond te wachte..., te wachte... op haar man
    's Nachts om twaluf uuure... daar kwam die vrijer an
    Anna ging naar boooveee... en pakte een dikke stok
    Kwam er mee naar beneeede... en sloeg Jan op z'n kop.

Aan het eind van onze straat waren graslandjes, wij noemden die de eilandjes. Hier gingen we vaak vliegeren. Mijn vader ging dan met ons mee, hij maakte de mooiste vliegers voor ons van dunne latjes en fel gekleurd papier.

Een heel speciale bezigheid in die tijd, weet ik nog, was het opschrijven van kentekennummers van auto's die voorbij reden. Dat werd meestal gedaan met mooi weer. Dan gingen we, uitgerust met een potlood en een schrift, op de hoek van de Prins Hendrikstraat op de stoep zitten en schreven de nummers op van de passerende auto's.
Als er een rode auto langs kwam moesten we een bepaalde handeling verrichten. Dat ging zo: Eerst je rechterduim nat maken in je mond, de duim tegen je handpalm drukken, dan de handen om elkaar heen draaien en ten slotte in je handen klappen.

's Winters, als het gesneeuwd had, maakten we met z'n allen een muur van sneeuw dwars over de straat.
Als er dan eens een auto aankwam keerde die om. Dat kon toen nog want veel auto's waren er niet, tenminste niet bij ons in de buurt. De enige die een automobiel had was de dokter. De verloskundige uit ons dorp, zuster Tholen, reed op een motor, zij ging gekleed in een lange leren jas.
Verder kwam de melkboer bij ons aan de deur met zijn paard en wagen en de groenteboer kwam eveneens met paard en wagen door de straat.

Na de kerstdagen, zo begin januari, kwam er een man door de straten, die de vachtjes van de konijnen opkocht. Op zijn rug hingen die konijnenvellen. Hij riep dan: Haa...ze en konijnevelle... Haa..ze en konijnevelle...
Voor een paar centen werden de manteltjes van de konijnen dan verkocht. Als ze al niet gebruikt waren om mutsjes en moffen van te maken.
Of er werd een strook konijnenbont aan de onderkant van je jas genaaid. Versiering, werd dat genoemd, maar dan kon je nog even verder in je jas groeien natuurlijk.
Ook de voddeman was een vertrouwd figuur in de straat. In ruil voor wat oude kleren kreeg je vaak een klein speeltje. De kinderen waren daar gek op.

In de zomervakantie gingen we vaak met mijn moeder naar het strand, als we dan moe thuis kwamen was het tijd voor het avondeten. Daarna mochten we nog een poosje buiten voor de deur spelen en dan ... retteketet naar bed.


Rina Hartman
februari 2004

terug naar 'Mijn verhalen'
terug naar boven
webdesign    jacques verbove 2012